Blonde Venus

Film

Knipsels


Josef von Sternberg & Marlene Dietrich

Over 'Blonde Venus'

 “Von Sternberg heeft na een twist met de productieleiders betreffende het scenario voor zijn nieuwe film: The Blonde Venus, Hollywood verlaten en is naar New-York vertrokken. Marlene Dietrich heeft daarop geweigerd onder een anderen regisseur te werken. Zooals men weet was het tot voor een maand onzeker of zij te Hollywood zou blijven of weder naar Duitschland terugkeeren. De vorige maand sloot zij echter een nieuw contract met de Paramount af, waarin zij zich verplichtte in drie nieuwe films op te treden, onder regie van von Sternberg. Bij het afdrukken van dit blad vernemen wij nog, dat volgens een officieele verklaring van de Paramount Sternberg’s contract voorlopig buiten werking gesteld blijft, doch dat Marlene Dietrich haar salaris weder uitbetaald zal krijgen. Wij vermoeden dat hiermede de eerste stap naar het bijleggen van dit conflict gedaan is, want nu de Paramount blijk geeft, Marlene Dietrich tot elken prijs te willen behouden zal deze laatste er wel op staan, Sternberg als regisseur terug te krijgen. Sternberg heeft in een ‘rechtvaardiging’ o.m. meegedeeld, dat Paramount hem nu reeds vijf jaar lang slechte scenario’s heeft gegeven. En vijf jaar lang heeft hij die dan toch maar aanvaard.”
[Vooruit, 1932]

 

Blonde Venus - promotiecampagne

“Onmiddellijk na zijn aankomst te Berlijn had Sternberg zich tegenover journalisten zeer bitter over Hollywood uitgelaten. Uit den aard der zaak vroeg men hem inlichtingen aangaande het geschil met de Paramount, dat, naar men zich zal herinneren, veroorzaakt werd door het besluit De Blonde Venus te verfilmen. Sternberg verklaarde naar aanleiding van deze vragen, dat hij het scenario van genoemde rolprent zeer slecht vond en de Paramount ten sterkste had afgeraden zulk een film te gaan vervaardigen. Daarop heeft de Duitsche filiaal van de Paramount aan de pers een mededeeling gezonden, die, in geval ze voor waarheid moet genomen worden, een wel zeer zonderling licht werpt op Sternberg’s verklaringen. Volgens deze mededeeling zou Sternberg zelf de schrijver zijn van het scenario van De Blonde Venus zoodat deze onmogelijkheid, dit manuskript te verfilmen, Sternberg’s eigen werk betreft. De Paramount voegt hieraan toe, dat zij het scenario voor een zeer groot bedrag van Sternberg heeft overgenomen. Te dien opzichte wordt 10.000 dollar als koopsom genoemd. Schulberg, produktieleider bij Paramount, oordeelde, zoo luidt het in de bewuste mededeeling, dat zulk een scenario onmogelijk was. Sternberg zou dan verklaard hebben er nimmer in toe te zullen toestemmen, dat Schulberg de door deze voorgestelde wijzigingen in het scenario aanbracht. Sternberg heeft deze mededeeling tegengesproken en beweert dat het gegeven van De Blonde Venus wel van hem was, doch dat het door scenaristen in de bureelen der Paramount totaal verknoeid werd, precies naar den ‘goeden smaak’ van de heeren van Hollywood.”
[Vooruit, 3/2/1932]

“Amsterdam heeft het voordeel, Blonde Venus het eerst in Europa te zien. Onze Hollandsche konfraters zijn over’t algemeen met deze lang verwachte en veel besproken film ten hoogste ingenomen. Men herinnert zich hoe tijdens de verfilming van het week en romanesk scenario dat hem werd opgelegd, Sternberg heftig verzet had aangeteekend en hoe hij en Marlene Dietrich hierom van de Paramount wegliepen. Het geschil werd toen bijgelegd, maar aan het scenario werd weinig of niets veranderd en Sternberg, die met Marlène Dietrich weer aan’t werk ging, stond tenslotte voor de moeilijke taak haar en zijn faam te redden door er iets van terecht te brengen. Nu schijnt het dat hij deezen krachttoer op meesterlijke wijze volbracht.[...] Dietrich slaagt erin, dat je vergeet hoe oud en afgezaagd zoo’n tooneel – aan het begin en aan het eind – bij een kinderbedje is. Zij slaagt erin, dat je vergeet, hoe onlogisch het gevalletje in elkaar gedraaid is. Zij slaagt erin, dat je vergeet, dat de bedoeling van al dat weeë gedoe is, een filmslaaf in te pakken. Zij pakt je eenvoudig in en daarmee basta.”
[Gust. Van Hecke in Vooruit, 20/11/1932]

"De Blonde Venus wordt eindelijk ten onzent vertoond. Spijtig genoeg krijgen we hier een in’t Fransch gedubbeerde versie, waarbij we de oorspronkelijke stemmen missen, vooral de diepaandoenlijke stem van Marlène Dietrich. Het weinige dat van haar spreken en zingen werd overgehouden, het oud-Duitsche liedje dat we haar tweemaal hooren voordragen op de haar eigene zo stil-weemoedige wijze, is voldoende om ons van het dubbeer-systeem eens te meer den ergelijken kant te laten voelen. De helft van Marlène Dietrich’s in deze film zóo door en door menselijk spel, komt er door niet tot haar recht. In de paar music-hall-liedjes die zij daar te zingen heeft, vinden we haar heelemaal niet terug. [...] maar gelukkig maakt Sternberg, zooals gewoonlijk, hier slechts matig van woorden gebruik om des te beter met beelden te tooveren. [...] ‘Ik poogde het eeuwig-menschelijke en tijdlooze, in zoo’n film aan het huidig tijdskarakter te meten en het met onzen tijdsgeest te verklaren. Ik werk bewust en opzettelijk geheel klassiek. Zoolang de wereld bestaat is de vrouw door den man verlaten, heeft de vrouw haar kind meegenomen, het tot het uiterste verdedigd, het dan afgestaan, wat doet het er eigenlijk toe. als ge maar de eeuwig terugkeerende emoties van het menschelijk leven vasthoudt, de dingen die voor 2000 jaar gebeurd zijn en steeds weer zullen gebeuren, zoolang de aarde draait. Natuurlijk moet ge het op moderne wijze voorstellen, de dingen moeten het gezicht van onzen eigen tijd hebben, anders interesseert het mij niet en ook het publiek niet, al ziet het publiek niet bewust. Voor mij persoonlijk moet het echter de traditie der eeuwenlange herhaling hebben.’ [...] Marlène als voor haar jongetje vechtende moeder, is een grote brok schrijnend leven. Meer nog dan het vrouwengezicht van dezen tijd, vertegenwoordigt zij daar de vreselijke ellende-figuur van de moeder, die het tegen de mannen en de maatschappelijke wetten opneemt, tot redding harer moederliefde. Nooit hebben we haar met die eigene, weemoedige gelatenheid tot een sterkere uitdrukking zien komen van vrouwelijke wanhoop zonder geschrei en zonder moedeloosheid, maar de wanhoop, die onder den wegenden druk van het noodlot, tot het uiterste gaat, uiterlijk beheerscht, doch innerlijk verscheurd door het weten dat geen blijde uitkomst mogelijk is. Men leze op haar gelaat de oneindig-trieste uitdrukking, waarmede ze beduidt, dat al de woorden tevergeefsch zullen zijn, waar zij zich door haar teruggekomen man wegjagen laat. Men volge haar grootsch-sobere, streng-ingetogene spel in de tooneelen waar zij tenslotte niets anders meer kan dan haar zoontje aan de politie uitleveren. Zij bereikt hiermee, en ten andere met haar gansche vertolking, het toppunt der eeuwig-vrouwelijke hulpeloosheid, zooals deze precies gevoeld wordt door de meeste vrouwen in de huidige samenleving. En juist omdat Marlène Dietrich in de Blonde Venusdeze hulpeloosheid, met zooveel sterkte in het streven en lijden uitdrukt, wordt zij daar om zoo te zeggen het levend-symbool, de diep-menschelijke getuigenis, de dramatische vertegenwoordigster van haar geslacht. Daarom ook zal dit, hoe het haar verder ook moge gaan, een harer grootste en treffendste rollen blijven.”
[Gust. Van Hecke in Vooruit, 19/03/1933]


Josef von Sternberg

Over 'Josef von Sternberg'

“Toen Von Sternberg voor het eerst met de film in aanraking kwam, ontmoette hij een vooraanstaand regisseur, die tot hem zei: ‘Ik geloof, dat er een regisseur in U steekt. In drie maanden kan ik U leeren hoe men een film regisseert’. Von Sternbergs uitdagend antwoord was: ‘Het zou mij heel wat langer duren om het U te leeren’. De eerste film, welke Von Sternberg voor Metro-Goldwyn-Mayer maakte, geraakte in handen van een productieleider, die hem haatte. Hij wijzigde de film zoolang tot het resultaat niet meer te vertoonen was. Toen de maker zag wat men met zijn film gedaan had, ging hij naar het Studio, waar MacMurray voor een nieuwe scène op hem wachtte. Hij liet alle camera’s naar boven wenden, draaide honderd meter close up van spinnewebben tusschen de hanebalken en wandelde weg om nooit meer terug te komen. Een prachtig, hooghartig gebaar, maar tientallen soortgelijke gevallen zijn oorzaak geweest dat Von Sternberg zich de vijandschap van Hollywood op den hals gehaald heeft.” [knipsel uit de jaren ‘30]

Geheel onopgemerkt verscheen gisteren in Amsterdam de beroemde filmregisseur Josef Von Sternberg. Slechts aan het feit, dat hij, die als een onbekende aankwam aan het station – zonder fotografen, zonder filmexploitanten en zonder journalisten – bij het niet geheel onbekende Carltonhotel logeert, dankte men de mededeling [in de krant] dat hij er was. Maar nauwelijks was Josef Von Sternberg er, of hij was ‘nergens’. Onvindbaar. De stad in. Voor zaken. Misschien ook voor zijn genoegen. Vier jaar geleden was hij ook in Amsterdam. Toen was het nog de glorietijd van de verbintenis tusschen de regisseur en zijn schepping, de buitengewone filmpersoonlijkheid Marlene Dietrich. Sindsdien werd de band verbroken. Marlene Dietrich kwam onder andere regie. Von Sternberg ging andere sterren regisseeren. Von Sternberg, slachtoffer van een samenloop van omstandigheden, is het Kanaal overgestoken en loopt nu, betrekkelijk met zijn ziel onder zijn arm, door Amsterdam. Sinds 1933 reist hij rusteloos over de heele wereld rond. Europa, Java, Bali, West-Indië, Scandinavië. Het laatst was hij einde vorig jaar in Batavia, nu dwaalt hij door het Europeesche moederland van onze Indische koloniën. Voor zaken. Om het rijksmuseum te zien. Om den tijd te dooden en om ook anderen in raadselen te laten wandelen. En zijn kleine gestalte, met de wel wat droevige grijze oogen, die zoo betoverend uit hun lichte omsluiering te voorschijn stralen, zoodat men voelt, hoe hij in staat is een geheel persoonlijke visie te geven waar een ander slechts ‘gewone’ werkelijkheid ontwaart, verdwijnt uit ons gezichtsveld. Von Sternberg wenscht hier niet de beroemde regisseur te zijn, begeert geen hulde en interviews. Wenscht slechts rust...”
[knipsel uit de jaren ‘30]


Josef von Sternberg - Brussel, 1969

Josef von Sternberg - Brussel, 1969

“De vraag die we geneigd waren te stellen, Harry Kümel en ik, toen we de komst van Josef von Sternberg aan het voorbereiden waren (ter gelegenheid van een speciaal programma en een retrospectieve op de B.R.T.) was: ‘waarom is deze man, die zo veel talent heeft, opgehouden met filmen? Wat is er gebeurd?’ Deze vraag leek echter hoegenaamd niet meer belangrijk nadat we meer dan een week met hem hadden doorgebracht. Hij was bijzonder nieuwsgierig. Onverzadigbaar: hij moest alles weten, alles zien, alles begrijpen, iedereen ontmoeten. Hij wilde mijn stropdas betasten en hij wou weten of ik me wel makkelijk voelde in mijn schoenen. Maar hij reageerde zelden: hij assimileerde eerder. Hij stelde vragen; soms ook onder de vorm van een bevestiging. Wat deed hij met al die ervaringen? Het leek me alsof hij voortdurend bezig was te verzamelen (hij is -was – een verwoed kunstverzamelaar). Alles: plaatsen, mensen, herinneringen. Ook vriendschappen. Zijn boek ‘Fun in a Chinese Laundry’ zit vol van dergelijke opsommingen, van landen die hij bezocht heeft, en van mensen die hij ontmoet heeft. Eigenlijk was het ‘bezitten’ ervan niet zo belangrijk, me dunkt. Niet eens de ‘ontdekking’; er was weinig verwondering, bitter weinig bewondering, maar altijd aandacht en interesse. Een geobsedeerd zijn door het leven, de wereld der mensen en der voorwerpen, en tevens een gedetacheerd zijn ervan. Film moet voor hem, geloof ik, hetzelfde betekend hebben: iets zeer belangrijk, maar uiteindelijk toch ook niet belangrijk genoeg om er voor te leven, niet eens om er uitsluitend of vooral mee te leven.”
[Eric de Kuyper in K&C, 31/12/1969]

 

Josef von Sternberg - Brussel, 1969

 “Op een vraag van Eric de Kuyper naar de betekenis van het herhaaldelijk gebruik van de sigaret in de films van von Sternberg (en hier denkt men terug aan het uitvoerig hoofdstuk dat E.D.K. daaraan wijdde in ‘Streven’ (december 1966) om aan te tonen hoe von Sternberg in dergelijke details zijn aandacht voor de ‘diepere menselijke zin’ uitdrukt) antwoordde de regisseur dat hij dergelijke elementen slechts gebruikt om beweging in het beeld te krijgen. Het zou al te gemakkelijk zijn hieruit af te leiden dat E.D.K. zich aan ‘Hineininterpretierung’ zou hebben bezondigd want het blijft toch steeds waar dat de criticus juist die dingen moet ontdekken waarvan de kunstenaar zich zelf niet bewust is maar die daarom toch wel wezenlijk aanwezig kunnen zijn. Het geniale van een groot man als von Sternberg ligt immers in de intuiïtie om het juiste detail te vinden in het kader van de esthetische en vakkundig bekommernis waarin hij onbewust zijn wereld projecteert. [...] In de slotsekwentie werd een stukje van von Sternbergs kunnen vergeleken met het maken van een opname door Harry Kümel. Beide regisseurs brachten de actrice Dorothee Blanck in beeld. Harry Kümel deed het op de moderne manier, d.w.z. dat hij het onderwerp eenvoudig registreert, terwijl hij de Josef Von Sternberg te Brussel persoon Dorothee Blanck zoals die in werkelijkheid is, op het oog heeft. Von Sternberg daarentegen von Sternberg, de collectioneur handelt volkomen in overeenstemming met zijn opvatting dat de akteur een der vele accessoires is, de drager van een masker zoals dat nu nog in het Oosters toneel gebeurt. Hij geeft haar een pruik, grimeert haar en zet ze onder een verlichting zodat ze het personage wordt dat hij wil en dat niets meer te maken heeft met Dorothee Blanck. En werkelijk, men krijgt de indruk Marlène Dietrich te zien.”
[Ivo Nelissen over de B.R.T.-uitzending ‘Josef von Sternberg’ die Harry Kümel met Eric de Kuyper maakte, De Nieuwe, 14/3/1969]


Josef von Sternberg

Van 'Josef von Sternberg'

 “Er is een anecdote over de regisseur Josef von Sternberg, die meer zegt dan sommige van zijn films. De Amerikaanse acteur Clive Brook, die in verschillende Sternberg-films zou spelen, zag hem eens voor de spiegel staan experimenteren met een snor. De cineast wilde weten wanneer hij er nu het meest afstotend uitzag: met of zonder snor. Op een vraag van de Amerikaan antwoordde Von Sternberg: ‘De enige manier om succes te hebben is ervoor te zorgen, dat mensen een hekel aan je hebben. Dan onthouden ze wie je bent.”
[Donald Unger, Het Financieele Dagblad, 11/5/1985]

 “Als ik hem vroeg wat de functie was geweest van toch beroemd geworden cameralieden als Lee Garmes, Bert Glennon of Lucien Ballard bij zijn films, dan antwoordde hij: ‘Sie lernten dabei.’ Als ik hem vroeg waar de rol van de acteurs in zijn films begon binnen het door hem voorgeschreven karakter, dan zei hij: ‘Nirgends.’ Alleen op de vraag waaarom hij dacht dat er nog steeds zo’n belangstelling was voor films die toch al meer dan dertig jaar oud waren, toonde hij enige belangstelling. Hij keek me met zijn harde staalblauwe ogen even doordringend aan en zei op een toon die geen tegenspraak duldde: ‘Meine Filme werden besser je älter sie werden.”
[Fred Van Doorn, 18/5/1985]

“‘My principal hobby is to stay alive’, ma principale marotte est de rester en vie, nous disait il y a quelques mois Josef von Sternberg, séjournant à Bruxelles à l’occasion de l’hommage que le Musée du Cinéma rendait à son oeuvre. Né à Vienne, le 29 mai 1984, il a tenu le coup jusqu’à 75 ans.”
[Dimanche Presse, 28/12/1969]

download rubriek - PDF